Een therapeut raadde mij jaren terug het boek Siddhartha (1922) aan van Herman Hesse, om me te ondersteunen in de geestelijke zoektocht waarin ik me bevond. Dat was een uitstekend advies: een boek helpt soms meer dan talloze praatsessies, zeker bij een leesgraag persoon zoals ik. Daarnaast raakte ik ook geïnteresseerd in deze wijze schrijver, waar ik tot dan toe wel van had gehoord, maar nog nauwelijks iets van wist.
Wijze oom
Hesse (1877–1962) is een Duitstalige Zwitserse schrijver die men vaak aantreft in citatenboeken of in filosofische en spirituele contreien. De foto’s die ik op internet aantref, tonen een serieuze, bedachtzame man, met een zekere doch enigszins gereserveerde vriendelijkheid. Een ideale wijze oom die je zo af en toe om raad wil vragen. Veel lezers zullen dat indertijd hebben gedaan, getuige de ruim 45.000 brieven die Hesse in zijn leven aan hen heeft geschreven, een deel ervan is terug te vinden in zijn Verzamelde brieven.
Hesse was ook een fervente wandelaar en recent verscheen Wandeling (1920), een kleine verzameling reisimpressies die hij elke keer start met een door hemzelf gemaakte aquarel en meestal afsluit met een gedicht. De auteur wisselt concrete observaties van natuur, gebouwen en omgeving af met reflecties over verleden en toekomst. De wandelingen van Hesse zijn qua afstand niet mals, hij gaat er echt op uit. Hij onderneemt ook vaak meerdaagse tochten, waarbij het onderweg zijn belangrijker is dan de eindbestemming.
Zoeken of blijven
In Wandeling zien we ook de (innerlijke) tweestrijd van Hesse. In het nawoord van Mark Rummens lezen we dat hij heel zijn leven bang was geweest om “in te dommelen in een al te vertrouwde omgeving, in een al te dagelijks leven” (p.121/122). Steeds moest een mens volgens hem bereid zijn “om ‘het kampement op te breken en op reis te gaan en zo aan de verlammende gewenning te ontsnappen.” Na veel omzwervingen in zijn leven woont de schrijver echter ongeveer 40 jaar in het Zwitserse Ticino, alhoewel hij vanaf daar veel van zijn (meerdaagse) wandelingen maakte.
Op pagina 12 laat Hesse meteen al wat meer los over deze tweestrijd: hij wilde graag een kunstenaar zijn en een man van de verbeelding, maar tegelijk ook deugdzaam zijn en genieten van de huiselijke knusheid. Uiteindelijk realiseerde hij zich dat hij een nomade is: een zoeker en geen blijver. Niet dat hij nooit kampte met heimwee en de perfecte zwerver was. Hij besefte dat hij zijn herkomst nooit helemaal los zou kunnen laten. Sterker nog: zijn Wanderlust zag Hesse als een verlangen naar huis, naar de herinnering aan een moeder.
Stemmingswisselingen
Ook in zijn hoofd had Hesse regelmatig te maken met worstelingen. Op pagina 68 en 69 is Hesse openhartig over sombere momenten en periodes die hij meemaakt. Het zijn “de gebruikelijke duivels die me weer lastig hebben gevallen.” De angsten zijn er, het gevoel opgesloten te zijn in een onwrikbaar lot, de melancholie. Op zulke dagen is het voor hem een crime om op te staan, weer te moeten eten en leven. Hesse schrijft dat er geen remedie voor is en dat er altijd twee kanten bestaan: “als je de roes wilt beleven, dan moet je de ellende erbij nemen.”
Op pagina 100 vertelt hij er nog meer over, onder andere over wat het lichamelijk met hem doet. Hij wordt angstiger, droomt meer en de omgeving komt hem onechter voor. Van muziek krijgt hij hoofdpijn. Uit ervaring weet hij dan hij moet rusten en toegeven. Daarna daalt er geleidelijk een besef in dat er ook weer een tijd van rust en vrede voor hem ligt. De vermoeidheid is er nog wel, maar die doet hem geen pijn meer. De curve van het leven begint voor hem weer te stijgen (p.101).
Het helpt hem overal ‘ja’ tegen te zeggen: tegen de vreugde en de pijn, tegen de kinderlijke lach en de angst voor de dood. Hesse geeft het advies om nergens voor op de vlucht te slaan, maar je mee te laten drijven op de storm. Hij noemt de mens “een arme aap die tegen de spiegel staat te schermen” (p.69) - je moet er maar op komen. Maar zijn pleidooi om niet de strijd aan te gaan, maar je mee te laten drijven, is me uit het hart gegrepen.
Noord en Zuid
Een concrete tegenstelling ervaart Hesse tussen de noord- en de zuidkant van de Alpen. Als hij een Alpenpas oversteekt, is dat voor hem niet alleen een grens tussen Noord en Zuid, tussen het Duitse landschap en het Italiaanse licht. Het is ook de grens tussen het koele, tobberige en abstracte Noorden en het warme, onbezorgde, creatieve Zuiden. Het is zelfs een keuzemoment voor de mens: kiezen tussen twee werelden, de wereld van het geborgen huis versus de wereld van de weg (p.125).
Tegelijkertijd begint Hesse zijn reisbeschrijvingen met een statement over grenzen: hij vindt ze verwerpelijk en dwaas; zolang de rede, de menselijkheid en de vrede heersen, is er geen glimp van ze te zien, maar zodra oorlog en waanzin losbreken, worden ze plotseling belangrijk en alomtegenwoordig (p.11). Daarom steekt de Zwitser ze maar al te graag over. Een buitengewoon actueel standpunt bovendien, een eeuw na dato.
Bronnen:
Hermann Hesse - Wandeling. Insel Verlag, 2e druk, november 2025 (Vertaling: Mark Rummens)
Hermann Hesse
Laat een reactie achter