‘Een afgezonderd leven in de Gelderse Achterhoek, in Exel. Overdag zijn vrouw en kind niet thuis. Jeroen Brouwers voert het stille en gedisciplineerde bestaan van de middeleeuwse monnik. Hij verricht huishoudelijk werk, des zomers wat landarbeid. Hij peinst, studeert en schrijft. En wacht, want zolang je wacht, hoef je niet te schrijven. Elke morgen om negen uur neemt hij plaats aan zijn schrijftafel en dwingt zichzelf tot produceren. Ondanks de voldoening, met toenemende weerzin tegen het witte papier dat door hem beschreven moet worden.’1
Schrijven is ernst en angst
Dat romanschrijver, essayist en polemist Jeroen Brouwers (1940–2022) een roeping als monnik had, lijkt mij onwaarschijnlijk. In de documentaire ‘Lotgevallen – De verzonkenen’, waaruit bovenstaand fragment stamt, beweert hij dat hem ‘al vanaf zijn twaalfde voor ogen stond schrijver te worden’.
Wel lijken er opmerkelijke overeenkomsten te bestaan met de uitdagingen in de ‘schrijverslevens’ van een 11e-eeuwse monnik en dat van Brouwers in de 20e eeuw. Met het wezenlijke verschil dat monniken-kopiisten als ‘agenten van culturele overdracht’ werk van ánderen overschreven. Terwijl Brouwers natuurlijk met zijn werk zélf de nodige schoonheid creëerde en daarmee de Nederlandstalige literatuur verrijkte (dat overschrijven gebeurde met zijn eigen kladversies (afbeelding) naar de nette versies).
Wanneer ze niet bezig waren met gebed, werkten monniken in het scriptorium ‘totdat hun ogen waren geglazuurd, hun rug gebogen, hun vingers stijf’2 en een beloning wachtte:
Ik ben klaar met het kopiëren van de hele zaak. Geef me iets te drinken, uit liefde van Christus!
–kopiist in abdij Notre-Dame de Lyre, 11e eeuw
‘Na de arbeid, nooit tijdens, komt de fles ter tafel om de hersens als een Augiasstal schoon te spoelen zodat men de rest van het etmaal … de schrijverij vergeet en kan laten voor wat het is.’3
–Jeroen Brouwers, 1999
De literaire productie van Brouwers’ omvangrijke oeuvre was steeds weer een kwelling. Dat schrijven moest nu eenmaal gebeuren. De auteur van meer dan zeventig boeken beleefde er zelden plezier aan. Hij schreef om ‘zijn brood te verdienen … enige kunstzinnige filosofie zul je van mij niet horen’.4
‘Van pennevoerders die zeggen dat schrijven ‘het leukste is dat bestaat’, hoef ik geen boek te lezen …, – doe mij maar Bach in plaats van het deuntje van een vingerfluitartiest. Schrijven is ernst en angst, ieder woord is onzekerheid, iedere volzin een beijzelde stoep waar men kan uitglijden en op zijn hersens vallen.’5
(tekst gaat verder onder de afbeelding)
Herschrijven, overschrijven, opnieuw schrijven
Brouwers schreef altijd met de hand en in absolute stilte, zoals de middeleeuwse monnik. Eerst in een kladversie, anderhalf schriftblaadje per dag – het eigenlijke schrijven. Dan een nette versie, geschreven met potlood in een gelinieerd schrift. Als laatste werden de handgeschreven teksten overgetypt – de laatste ±20 jaar door zijn partner, literatuurwetenschapster Gwennie Debergh.
‘Vanwege mijn aversie tegen onbezoedeld sneeuwblank papier, – deze heeft ook te maken met schroom, – gebruik ik andere schrijfoppervlakken, te weten papier dat reeds door anderen is bepoteld, ontmaagd, bezoedeld. Mijn gekriebel voltrekt zich op keerzijden van reclamedrukwerk, drukproeven, enveloppen, kalenderbladen … tot het inpakpapier van de afhaalchinees toe. Met dit hergebruik draag ik meteen ook het mijne bij aan de verlichting van het milieuprobleem.’6
Het wiel van de herhaling
–Terug naar Exel, waar interviewer Cherry Duyns vraagt: ‘Waarom koos je voor zo’n isolement, zo’n eenzame, afgelegen plek?’7
‘Als jongetje, zag In een bewustzijnsflits voor me dat ik schrijver zou worden (of al wás). Maar voorlopig verliep mijn leven anders. Ik heb een drukke baan gehad en geruime tijd in wereldsteden gewoond. Eerst in Amsterdam en toen in Brussel, waar ik verwikkeld raakte in het literaire leven dat mij van het schrijven afhield. Op zekere dag was ik 35 en zei ik tegen mezelf: als je nu niet gaat schrijven, dan komt het er niet meer van. Toen heb ik mij dus in dit huis teruggetrokken met het loutere oogmerk te gaan schrijven, wat ik nu doe.’8
En de zinnen vloeiden daar in overvloed, in ‘wolkig blauwe’ inkt, uit de vingers van de schrijver. Zijn toonaangevende romans ‘Het verzonkene’, ‘Bezonken rood’ en ‘De zondvloed’ ontstonden in Exel. Naast de ‘Indiëromans’ schreef Brouwers meerdere romans en essays die alom geprezen werden. Zoals ‘Winterlicht’, ‘Zomervlucht’, ‘Geheime kamers’, ‘Het hout’ en ‘De laatste deur’. In 2018 ontving de autodidact een eredoctoraat in de Neerlandistiek van de Radboud Universiteit Nijmegen.9 In deze stad begon in feite zijn schrijversleven en dat van zijn personages.
Schrijven als muziek
Als ik alles zou mogen overdoen vanaf mijn zestiende jaar, wat God verhoede, dan zou ik componist worden,’ zei Jeroen Brouwers ooit in een interview. ‘Muziek is de vluchtigste van alle kunstvormen want kent alleen de klank als materie.’10
‘Het is hier doodstil. Alles wat hier te horen is, is de druppelende kraan en het suizen van de wind buiten. Verder is het hier absoluut stil.’
–Brouwers in de documentaire ‘Lotgevallen – De verzonkenen’
Die absolute stilte was de geestgrond voor het ritme en de melodie van de zinnen die uit het bewustzijn van de schrijver ontstonden. Die zinnen dienden zich aan, net zoals de ik-figuur uit ‘De zondvloed’ vertelt: ‘… Deze stemmen waren geen “inbeelding” als zodanig, maar klonken werkelijk, ik hoorde ze niet binnen in mij, maar in de doodstille en absoluut verlaten ruimte buiten mij, hardop of gefluisterd, soms één stem, soms een kakofonie van stemmen, klanken, woorden, zinsdelen, die altijd opeens, onverwacht, begon te klinken.’
In feite schreef Brouwers als ‘muziek’; het ritme, de zintuiglijkheid en zelfs de notatie van de woorden bewijzen dit. In ‘Cahier 1’, uitgegeven door de Stichting Jeroen Brouwers, refereert Peter Zantingh in zijn essay ‘Streepjescode’ aan een kranten-interview met de schrijver: ‘lk kan soms een zin niet afmaken, dan staat er een komma, een streepje, en dan begint er een tweede zin die er, vanwege het ritme, gewoon tegenaan geplakt is.’ En verderop citeert Zantingh Lodewijk Verduin: ‘Dat … de gewoonte om gedachtestrepen en komma’s te combineren een kwestie van ritme is … zo geeft de schrijver aan waar er tempowisselingen optreden en waar er rust of stilte tussen zijn woorden moet vallen.’
In een aflevering van ‘Reiziger in muziek’ (1990) vertelt Brouwers: dat het muzikale thema in zijn roman ‘Zomervlucht’ is opgeschreven in de vorm van een zwerver die bij de hoofdpersoon binnenvalt en in het voorbijgaan een paar willekeurige noten aanslaat op de piano. In de uitzending wordt dit ‘fuga-thema’ live en geïmproviseerd gespeeld: ‘De herkomst van deze kleine compositie … als ik dit zou vertellen, beroert dat een te emotionele snaar. Laat ik maar zeggen dat deze noten mij zijn komen aanwaaien door de wind.’
Bronnen:
Bzzlletin 98. Jaargang 11 (1982-1983).
De Parelduiker 2010 1/2. Jaargang 15 (2010).
Schrijver Jeroen Brouwers (1940-2022) verstrikte zich bewust in zichzelf. Vrij Nederland.
‘Alleen als ik schrijf, schaam ik me niet’. De Groene Amsterdammer.
Essay: Een leven van papier – Jeroen Brouwers, een lotgeval. Tzum.
Buurt maken in Exel – Gijs Wilbrink over Jeroen Brouwers. ILFU.
De inkt is het bloed van de schrijver: I.M. Jeroen Brouwers. ILFU.
Marathoninterview met Jeroen Brouwers. VPRO, 1996.
Cahier Jeroen Brouwers 1 & 2. Stichting Jeroen Brouwers.
Jeroen Brouwers catalogus, ter ere van zijn 50-jarig schrijverschap (PDF). Demian.
Scriptorium – Schrijfkamer in het klooster. Historiek.
Wikipedia Jeroen Brouwers
(Uitgelichte afbeelding: Félix Vallotton (1865-1925) – ‘Félix Fénéon dans le bureau de La Revue blanche’, 1896)
- Fragment uit: ‘Lotgevallen 9, De verzonkenen’. VPRO-documentaire over Jeroen Brouwers van Cherry Duyns (1984). Via de Schatkamer / Beeld & Geluid. ↩︎
- Uit: Bernd Roeck. ‘The World at First Light: A New History of the Renaissance’. Princeton University Press, 2025. ↩︎
- Uit: Jeroen Brouwers. ‘Al dat papier’ (catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling). Demian, 1999. ↩︎
- Fragment uit: ‘Het Gat van Nederland’. VPRO-documentaire, restmateriaal (1972). Via de Schatkamer / Beeld & Geluid. ↩︎
- Uit: Jeroen Brouwers. ‘Al dat papier’ (catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling). Demian, 1999. ↩︎
- Uit: Jeroen Brouwers. ‘Al dat papier’ (catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling). Demian, 1999. ↩︎
- Fragment uit: ‘Lotgevallen 9, De verzonkenen’. VPRO-documentaire over Jeroen Brouwers van Cherry Duyns (1984). ↩︎
- Later besloot hij na een periode als journalist, daarna als redactiesecretaris en later als (hoofd)redacteur bij Uitgeverij Manteau in Brussel (1964–1976, hier woonde hij ook al ‘in afzondering’, in Vossem bij Brussel) te verhuizen naar Exel, bij Lochem (na een kort verblijf in Warnsveld). Na de scheiding van zijn vrouw, vestigde Brouwers zich in 1991, op een woonboot in Uitgeest. Vanaf 1993 zocht hij op opnieuw de stilte op en verhuisde naar Zutendaal in Belgisch-Limburg. Deze woning werd echter niet als verblijfadres erkend en moest hij, na een uitspraak van de rechter, slopen. Sinds 2017 tot zijn dood in 2022, woonde hij met zijn partner in Lanaken. ↩︎
- Eredoctoraat dr.h.c. Jeroen Brouwers. Radboud University Press, 2018. ↩︎
- Uit: Katherina Lindekens (De Parelduiker, 2010 1/2, jaargang 15, p.119-131). ‘Klanken uit een anderwerelds elders. Muziek in het werk van Jeroen Brouwers’. ↩︎
Laat een reactie achter